Over appels en andere misvattingen
Geen verhaal uit de Thora heeft meer invloed gehad op onze westerse beschaving dan dat van de schepping van Adam en Eva en hun verbanning uit de Tuin van Eden in hoofdstukken 2 en 3 van het boek Genesis. De grote botsing tussen wetenschap en geloof die veroorzaakt werd door de publicatie van Darwins beroemde boek The Origin of the Species ging over hoe het verhaal van de schepping van de mens geïnterpreteerd moest worden. Het geloof hield angstig vast aan het idee dat het waarheidsgehalte van dit verhaal, evenals alle andere Bijbelse verhalen, volledig afhankelijk moest zijn van een streng letterlijke interpretatie ervan. De veronderstelling was dat het vasthouden aan een letterlijke manier van interpreteren synoniem was aan het geloof in Gods bestaan. Wie deze manier van lezen losliet, liet God ook los!
Als men het van het begin af aan acceptabel gevonden had om dit verhaal overdrachtelijk te interpreteren, was een botsing überhaupt nooit nodig geweest. En wie nu denkt dat dit soort controverses zo langzamerhand tot het verleden behoort, heeft het ook mis, getuige de recente opkomst van de intelligent design-beweging in de VS en hun vele tegenstanders, zoals de Brit, Richard Dawkins, auteur van The Blind Watchmaker (‘De blinde horlogemaker’) (1986) en The God Delusion (‘God als misvatting’) (2006).
Maar van nog veel groter invloed dan het scheppingsverhaal is Paulus’ interpretatie van de verbanning van Adam en Eva, een interpretatie die zo’n tweeduizend jaar bepalend is geweest voor de identiteit van de westerse, christelijke cultuur. Zijn ideeën in Romeinen 5:12-22 en I Korintiërs 15:22 dat Adam en Eva zondaars waren, dat hun verbanning uit Eden een straf Gods was, dat hun kinderen in alle toekomstige generaties deze zonde geërfd hebben en dat met de verbanning uit Eden de dood voor de eerste keer zijn intrede in de wereld deed, werden tot zeer recentelijk als onomstotelijke feiten beschouwd. Adam en Eva werden immers beiden door Paulus als historische figuren gezien met hun eigen wilsbekwaamheid; de Tuin bestond werkelijk en zowel hun ongehoorzaamheid als de verbanning was een feitelijke gebeurtenis, enzovoort.
Hieruit vloeide ook Paulus’ geloof voort dat God en de mens elkaars ‘vijand’ waren geworden door de ‘zonde’ van Adam en Eva (Romeinen 5:10). Gods ‘offer’ van Jezus was de verzoening waardoor de mens weer met Hem in het reine kon komen (5:8-11). Het is algemeen bekend dat de hele theologie van het christelijk geloof volledig op deze centrale pilaren kwam te rusten. Het feit dat de ‘christologische’ leer die hierop gebaseerd was in de laatste tijd door sommige theologen in de meer ontwikkelde westerse landen volledig verworpen is, doet niets af aan het vormende effect dat deze leer gedurende al de eeuwen hiervóór gehad heeft.
Maar de grote vraag is of het verhaal van het begin af aan ooit bedoeld was om letterlijk begrepen te worden! Nergens in de Thora zijn er instructies van God over hoe Hij Zijn woord begrepen wil hebben. Het idee dat de Thora ‘van kaft tot kaft’ Gods woord is, wil niet zeggen dat de ‘waarheid’ daarvan alleen tot zijn recht kan komen door gebruik te maken van louter letterlijke interpretaties. Dat idee is geen goddelijke, maar een menselijke uitvinding, die vervolgens door de traditie tot dogma werd verheven.
Eigenlijk is de Thora noch het een, noch het ander. Simpele wetgeving zou zonder een letterlijke interpretatie onzinnig zijn, net zoals poëtische of allegorische teksten met een letterlijk interpretatie. Kennelijk heeft God erop vertrouwd dat de mens zijn gezond verstand zou gebruiken om de interpretatie te kiezen die het meest zinnig leek, gezien de aard van de tekst in kwestie.
Twee voorbeelden: De Thora zegt in Exodus 20:15: ‘Gij zult niet stelen.’ Een dergelijke opdracht behoeft een letterlijke interpretatie, denk ik. Niemand die zich afvraagt wat de diepere betekenis van dit vers mag zijn!
Maar miljoenen mensen die Psalm 23 kennen en daarin ook ooit troost hebben gevonden, weten best dat God geen echte herder is, dat zij zelf geen gras eten en dus geen baat hebben bij groene weidegronden, en sommigen van hen hebben zelfs nooit een herder, schaap, kudde of weide gezien. Toch hebben ze zich de zalvende woorden van deze Psalm eigen gemaakt door de tekst ervan onbewust op een overdrachtelijke manier te interpreteren in plaats van een letterlijke! Stel dat ze gedwongen zouden worden om Psalm 23 alleen op een letterlijke manier te interpreteren, dan zou het totaal onbegrijpelijk zijn geweest.
En het verhaal van Eden dan? Het is nu overduidelijk dat ook de waarheid van dit verhaal, wat die ook moge zijn, niet kan berusten op een letterlijke interpretatie, want de feiten omtrent de oorsprong van de mens zoals de wetenschap ons dat heeft laten zien, zijn duidelijk heel anders dan wat het verhaal, letterlijk begrepen, ons vertelt.
Het is dus eigenlijk niet meer de vraag of wij een letterlijke of een overdrachtelijke interpretatie moeten kiezen, maar alleen welke overdrachtelijke interpretatie de waarheid van de tekst het beste tot zijn recht laat komen.
Om dat te kunnen beantwoorden, moeten wij eerst beslissen wat we als meer gezaghebbend willen beschouwen, namelijk de traditie of de tekst zelf. Soms kan de traditie verhelderend werken, als een leesbril die ons helpt de werkelijkheid duidelijker en scherper waar te nemen. Waar dat zo is, moet het ook gebruikt worden. Maar soms kan het ook als een gordijn functioneren dat de tekst als het ware bedekt en vervormt. In dat geval is het beter om dat gordijn opzij te schuiven.
Zelf geloof ik dat de traditie wat betreft de verbanning van Adam en Eva uit Eden veel vaker als een gordijn heeft gefunctioneerd dan als een leesbril. Een goed voorbeeld hiervan is het wijdverbreide geloof dat de vrucht die Eva at en aan Adam gaf een appel was. Nergens in de Hebreeuwse brontekst noch in de vele vertalingen van de Thora wordt er melding gemaakt van een appel, er staat alleen peri, ‘vrucht’ – en wel drie keer, namelijk in Genesis 3:2, 3:3 en 3:6 – maar welk soort vrucht wordt ons niet verteld.
Het klimaat van het Midden-Oosten staat niet bepaald bekend om haar appelbomen, dus de achterliggende intentie wijst misschien meer in de richting van een vijg of een dadelboom. Adam en Eva gebruikten ook de bladen van de vijgenboom om hun naaktheid te bedekken nadat ze van de verboden vrucht aten (3:7). Wellicht werd het soort vrucht juist niet vermeld, om het accent nog meer op het feit te leggen dat het gewoon verboden was. Het soort vrucht deed er verder niet toe.
In ieder geval bekommerde niemand zich verder om die vrucht totdat Europese schilders tijdens de middeleeuwen de boom van de verboden vrucht voor het eerst probeerden te schilderen. Welk soort boom moest het zijn? Als noorderlingen hier in Europa kenden ze de appel het beste, en zo schilderden ze een appelboom. Dat werd toen stilletjes overgenomen door de theologie van de kerk en in de traditie verder doorgegeven aan de mensen.
Een andere verklaring voor het gebruik van de appel is, dat de Latijnse soortnaam daarvan malus is, hetgeen ook ‘slecht’ betekent. Volgens de overlevering bleef een stukje van dit fruit in Adams keel steken, dat vervolgens een zichtbare bobbel bleef in de menselijke hals, de prominentia laryngea, die in veel Europese talen de ‘adamsappel’ genoemd wordt. Hoe het ook zij, vandaag de dag denken de meeste mensen nog steeds dat Adam en Eva een appel aten!
Dit is een wel een heel treffend voorbeeld van hoe de traditie de tekst kan versluieren, maar ook een treffend voorbeeld van hoe de tekst de traditie kan weerleggen. Je hoeft de brontekst van Genesis 3:2, 3:3 en 3:6 maar éénmaal goed onder ogen te krijgen om te zien dat de ‘appeltraditie’ een ‘gordijn’ is geweest. Maar het is niet het enige voorbeeld. De traditie heeft de mensen ook geleerd dat Adam en Eva een volledig onbekommerd leven leidden in de Tuin van Eden, waar helemaal niet gewerkt hoefde te worden omdat al de planten en gewassen eigenlijk al van zichzelf groeiden. Het was een ‘Luilekkerland’ van jewelste! Had Adam honger? Hij hoefde niet eens om zich heen te kijken of er viel al een rijpe banaan of mango in zijn schoot! Wérken hoefde Adam immers pas na de verbanning, als onderdeel van Gods ‘vloek’?
Maar in 2:15 van hetzelfde verhaal lezen wij het volgende, niet onbelangrijke vers:
Zo nam de HEERE God den mens, en zette hem in den hof van Eden, om dien te bouwen, en dien te bewaren.
Dit is van de Statenvertaling. De NBG-vertaling uit 1951 zegt: ‘En de HERE God nam de mens en plaatste hem in de hof van Eden om die te bewerken en te bewaren.’
Noem het ‘bouwen’ of noem het ‘bewerken’, het komt op hetzelfde neer. Het Hebreeuwse woord hier is duidelijk genoeg: leaveda is arbeid! Waarom zou Adam de Tuin moeten bebouwen of bewerken als alles vanzelf groeide? En als de Tuin van Eden voor honderd procent een perfecte wereld was, waarom moest Adam het dan bewaren?
Nog een andere traditie wil dat – als Eva kinderen zou hebben gekregen in de Tuin van Eden – het baren volstrekt pijnloos zou zijn geweest, immers, volgens de traditie maakt ook de barenspijn deel uit van de ‘vloek’ Gods tegen haar. Die pijn zou zij alleen ondervinden na de verbanning. In de Tuin zelf was alleen plezier!
Maar wat zegt de tekst hierover zelf? God zegt tegen Eva: ‘Ik zal zeer vermeerderen de moeite uwer zwangerschap; met smart zult gij kinderen baren en naar uw man zal uw begeerte uitgaan, en hij zal over u heersen.’ Sommige vertalingen zeggen: ‘Ik zal Uw pijn bij het baren vermenigvuldigen,’ anderen zeggen: ‘Ik zal het doen toenemen.’ Welke vertaling men ook leest, de brontekst impliceert dat er zeker ook pijn zou zijn geweest als zij eventueel in de Tuin zelf gebaard zou hebben! Als ze daar werkelijk nul pijn zou hebben gehad, dan zou een vermenigvuldiging ervan immers ook op nul zijn uit gekomen! Hieruit moet je dus concluderen dat de pijn alleen niet zo heftig zou zijn geweest in de Tuin als na de verbanning.
Weer een andere traditie is het idee dat Adam (en Eva) onsterfelijk was in de Tuin van Eden, en dat de dood alleen in de wereld gekomen is vanwege zijn ‘zonde’: ‘Door één mens is de zonde in de wereld gekomen, en door die zonde de dood, en de dood is het lot van alle mensen geworden, omdat ze allemaal gezondigd hebben’ (Romeinen 5:12).
Maar wat de tekst van het Eden-verhaal zelf hierover suggereert, is heel iets anders! In Genesis 3:22 beluisteren wij God, die tot Zichzelf spreekt: ‘De mens is aan ons gelijk geworden, hij heeft nu inzicht in goed en kwaad. Ik wil verhinderen dat hij ook nog de vruchten van de levensboom plukt. Want als hij die eet, zal hij voor altijd leven.’
Wat betekent dit? In het hoofdstuk daarvoor staat dat God in de Tuin van Eden ‘allerlei mooie bomen met heerlijke vruchten liet groeien. In het midden van de tuin stonden twee bomen: de vruchten van de ene boom konden de mens het eeuwige leven geven, die van de andere boom inzicht in goed en kwaad.’ In 2:16-17 vertelde Hij Adam: ‘Je mag eten van alle bomen in de tuin, alleen niet van de boom die inzicht geeft in goed en kwaad. Wanneer je daarvan eet, zul je sterven.’
Wat is er gebeurd? De tekst zegt alleen dat ‘de vrucht van de ene boom de mens het eeuwige leven kon geven’ – dat wil zeggen, als er van werd gegeten! Maar hoewel Adam en Eva van de boom des levens mochten eten, hadden ze dat kennelijk tot Gods woorden in 3:22 nog niet gedaan! Wel hadden ze van de verboden vrucht gegeten, die van de boom van de kennis van goed en kwaad. En God denkt dat ze, nu ze dat gedaan hebben, veel meer op Hem lijken dan daarvoor. Hij is bang dat als ze nu in de Tuin blijven wonen, de kans groot is dat ze vroeg of laat ook van de boom des levens eten. En dan zouden ze ook nog onsterfelijk worden en daarmee veel meer op Hem gaan lijken dan nu al het geval is. Om dat te voorkomen, moest Hij ze verbannen.
Het lijkt er zelfs op dat Adam (en Eva) van het begin af aan met opzet geschapen waren om als sterfelijke wezens in de Tuin van Eden te leven. Waarom zou Adam anders uit het ‘stof der aarde’ geschapen zijn, hét symbool voor de vergankelijkheid der dingen? Gods woorden aan Adam in 3:19, ‘stof ben je, tot stof keer je terug,’ kunnen dus niet als een nieuw feit bedoeld zijn, maar alleen als een herinnering aan zijn tijdelijke bestaan, dat van nu af aan onder andere omstandigheden doorgebracht moet worden.
Kortom, Adam en Eva waren wel degelijk sterfelijk op het moment dat God het besluit nam om ze uit de Tuin te zetten, en de dreiging dat ze onsterfelijk zouden worden was juist Zijn reden voor de uitzetting! Door te zeggen (in Romeinen 5:12) dat door Eva’s of Adams zonde de dood de wereld ingekomen was, impliceert Paulus dat de mens daarvóór onsterfelijk was, terwijl God in Genesis 3:22 impliceert dat ze juist sterfelijk waren in de Tuin van Eden! Wie moeten wij nu geloven, Paulus of God? Met andere woorden, de traditie of de tekst?
In alle drie de gevallen, die van het werken in de Tuin, die van de pijnkwestie en die van de sterflijkheid, heeft de traditie de contrasten tussen de Tuin van Eden en onze wereld veel dramatischer en groter gemaakt dan wat ze volgens de tekst werkelijk zouden moeten zijn. De traditie wil ons doen geloven dat dit contrast hemelsbreed is, ja zelfs elkaars tegenpool, terwijl de tekst zelf suggereert dat het contrast aanzienlijk kleiner is dan dat.
Waarom zou de traditie zo af willen wijken van de tekst? Had het een geheime agenda? Het is belangrijk om ons te realiseren dat het verschil tussen een contrast van tegenpolen en een veel kleiner contrast, vérstrekkende theologische gevolgen heeft! Door aan te geven dat de verschillen tussen Eden en onze wereld niet zo heel erg groot zijn, wil de tekst ons niet alleen vertellen dat Eden al veel elementen van de aarde in zich had, maar, nog belangrijker, dat de aarde ook elementen van Eden nog in zich heeft. Werk, pijn en dood bestonden zowel in Eden als op aarde, alleen in Eden waren deze drie factoren minder hard, en dus een stuk menselijker, dan ze op aarde zouden blijken te zijn.
Het ‘glas’ is dus nog altijd ‘halfvol’! Dat is het joodse standpunt. De aarde is niet zondig en ook niet door en door bedorven, het is alleen maar ‘gebroken’ door oorlogen, fysiek en psychologisch geweld, door onrechtvaardigheid, ecologische rampen en ander menselijk toedoen. In zijn eentje is de mens niet in staat om een uitweg te vinden uit dit moeras van problemen, hij heeft Gods hulp nodig. En die hulp wordt hem ook gegeven in de 613 wetten of mitswot van de Thora. De belangrijkste mitswa wordt gevonden in het boek Leviticus, hoofdstuk 19, vers 18: ‘U zult Uw naaste lief hebben als Uzelf.’ ‘Dit’, zei Rabbi Hillel, ‘is het jodendom. Al het andere is alleen maar een uitleg van dit ene vers.’
Door deze mitswot echt goed te volgen, kunnen de joden tikoen olam doen, ‘herstel van onze gebroken wereld’, en daarmee de wereld weer maken zoals deze door God oorspronkelijk bedoeld was toen Hij haar schiep. Het jodendom wil dus niet geloven dat de aarde van nul en generlei waarde is en dat de mens alleen aan de hemel moet denken. Het jodendom wil het leven zo inrichten naar Gods wil, dat de aarde herschapen kan worden naar het voorbeeld van de hemel!
Maar door de verschillen tussen de twee werelden tot tegenpolen van elkaar te maken, suggereert Paulus en de zijnen niet alleen dat Eden een perfecte wereld was – eigenlijk geen joods maar een Grieks idee – een wereld zonder enig lijden, waar alles en iedereen een eeuwig leven had, maar ook dat deze aardse wereld hopeloos is, alleen maar zondig, bedorven en sterfelijk.
De mens-God- en de mens-mens-relatie
Het is voornamelijk dit vertekende beeld van de Tuin van Eden dat verantwoordelijk is voor de huidige betekenis van het woord ‘paradijs’, namelijk dat van een werkelijk in alle opzichten perfect oord waar de eeuwige jeugd hoogtij viert, een wereld die wij wel kennen van de Tahiti-achtige tv-reclames voor Bounty of Bacardi Rum. En dat, terwijl het woord paradijs, dat afkomstig is uit het Perzisch, oorspronkelijk alleen maar een ‘ommuurde tuin’ betekende! Het woord paradijs komt trouwens ook nergens voor in brontekst van de Thora. Pas in het Nieuwe Testament zien we dit woord voor het eerst verschijnen.
Het glas van Paulus is dus halfleeg, misschien nog meer dan dat. Hij leest de tekst van Genesis op zijn eigen manier om theologische redenen, want hij wil het aannemelijk maken dat de verlosser die hij in Jezus ziet, ook werkelijk nodig is om de last van de door hem bedachte erfzonde te doen verwijderen.
Want in het zojuist geciteerde vers van Romeinen 5:12 zit óók het concept van een erfzonde, namelijk dat door ‘één mens de zonde in de wereld is gekomen, en door die zonde de dood, en (dat) de dood het lot van alle mensen is geworden, omdat ze allemaal gezondigd hebben.’ Het zijn dus niet alleen Adam en Eva die zondaars waren, maar alle mensen hebben samen met Adam en Eva gezondigd. Deze tekst is één van de bekende bronnen van de traditie van de erfzonde, samen met I Korintiërs 15:22, en ook die van de doctrine van de val, waardoor zonde niet meer gezien wordt als een daad, zoals in de joodse traditie, maar als een onontkoombare conditie van het mens-zijn, een conditie waarvoor je niets hoeft te doen, maar die je al vanzelf meekrijgt bij je geboorte.
Welke gronden vond Paulus in de tekst van het Eden-verhaal voor een dergelijke leer? Je kunt de brontekst van het Hebreeuws met een vergrootglas doornemen, maar de woorden voor zonde, erfzonde, straf en val schitteren allemaal door afwezigheid, net zoals in het geval van het woord appel, waar we het eerder over hadden.
Zonde op zich is wel een joods begrip, maar nergens in de hele Thora komt het idee van erfzonde voor. Er is zelfs geen woord voor! Dat niet alleen, in Deuteronomium 24:16 kunnen we zelfs het volgende lezen: ‘De vaders zullen niet om hun kinderen ter dood gebracht worden; ook zullen de kinderen niet om hun vaders ter dood gebracht worden; ieder zal om zijn eigen schuld ter dood gebracht worden.’ Een geërfde zonde wordt hiermee zelfs verboden!
De vaak gehoorde klacht over de ‘oudtestamentische’ God van Exodus 34:7, die zegt dat Hij ‘de kinderen en kleinkinderen tot in de derde en vierde generatie laat boeten voor de schuld van de vaders’ valt natuurlijk in het niets vergeleken met de erfzonde van Paulus, waarbij de ‘ongerechtigheid’ van Adam eeuwigdurend verhaald wordt op al de generaties van zijn kinderen en kleinkinderen.
Trouwens, de rabbijnen leggen uit dat Gods woorden in dit vers ons eigenlijk alleen willen waarschuwen dat kinderen en zelfs kleinkinderen van dezelfde familie tot in de derde en vierde generatie altijd de doorwerkende last zullen ondervinden van het slechte voorbeeld van een zondige vader. Als je het op deze manier begrijpt, is er geen tegenspraak tussen deze tekst en die van Deuteronomium 24:16.
De leer van de Thora, kortom, lijkt geen enkele basis te bieden voor het concept van een erfzonde, en welk ander bestaansrecht heeft het zonder die basis?
Paulus’ idee van een erfzonde is natuurlijk gebaseerd op zijn aanname dat Adams ongehoorzaamheid de meest vreselijke zonde was, de ‘oerzonde’, wat ook te lezen is in onder andere het bovengenoemde citaat van Romeinen 5:12. Zonder hem deze zonde aan te rekenen kan er natuurlijk ook geen sprake zijn van een erfzonde. Ik heb al aangegeven dat de tekst van het verhaal zelf nergens het woord zonde gebruikt (het Hebreeuwse woord voor zonde wordt pas voor het eerst gebruikt in het verhaal van Kaïn en Abel), maar nu wil ik nog verder gaan door er op te wijzen dat ook de logica van het verhaal zo’n conclusie tegenspreekt. Want wat is een zondaar? Dat is toch een volwassen persoon die het verschil tussen goed en kwaad hoort te kennen en desondanks voor het slechte kiest?
Toen Adam en Eva echter ongehoorzaam waren, kenden ze het verschil tussen goed en kwaad nou juist niet! Voordat ze de vrucht aten, verkeerden ze in een staat van perfecte onschuld. De kennis van wat goed was en wat kwaad kregen ze pas na het eten van de verboden vrucht. En het is ook alleen nadat ze van de vrucht gegeten hebben dat ze enig besef van schuld kregen! Als ze het verschil tussen goed en kwaad nog niet kenden toen ze ongehoorzaam waren, konden ze ook niet weten dat ongehoorzaamheid ‘kwaad’ was.
In het verhaal van Eden worden Adam en Eva eigenlijk aan ons voorgesteld alsof ze kleine kinderen zijn. Je kunt een kind vertellen dat hij iets niet eten mag, maar dat doet hij toch! Niet luisteren, stout zijn, is een normale expressie van zijn eigen ‘ik’.
Het is in dit verband tekenend dat Adam en Eva niet de moeite namen om van de boom des levens te eten, terwijl hun dat in eerste instantie niet verboden was, maar alleen van de boom van de kennis van goed en kwaad, wat God, hun ‘Vader’, juist wel verboden had! Als de boom des levens aan hen verboden was, hadden ze waarschijnlijk dáárvan willen eten en niet van de boom van de kennis van goed en kwaad!
Niemand noemt kleine kinderen die ongehoorzaam zijn zondaars, want ze hebben ‘de leeftijd des onderscheids’ nog niet bereikt. Ook al waarschuw je ze dat er ‘consequenties’ zullen zijn als ze niet luisteren, zal het hen niet gauw deren, want ze leven volkomen in het ‘nu’ en kunnen aanvankelijk nog niet een verband leggen met de toekomst. Niet alleen kennen ze het verschil nog niet tussen goed en kwaad, ze kunnen ook de gevolgen van hun gedrag nog niet overzien. Zo wordt Adam in 2:17 door God gewaarschuwd dat als hij van de boom van de kennis van goed en kwaad eet, dat hij dan zeker dood zal gaan, maar Adam zelf heeft geen enkel idee wat ‘doodgaan’ behelst!
Het is duidelijk: een zondaar is altijd ongehoorzaam, maar dat wil niet zeggen dat ongehoorzaamheid daardoor altijd gelijk staat aan zonde. Deze tweede categorie, ongehoorzaam zijn zonder zonde, behoort toe aan jonge kinderen en aan volwassenen die een geestelijke beperking hebben. Hun ‘vrijstelling’ is duidelijk en wordt in elke cultuur ook goed begrepen. Behalve door Paulus. Hij wil Adam en Eva toch als moreel verantwoordelijk zien, ook al verkeerden ze nog in een staat van kinderlijke onschuld op het moment van hun ongehoorzaamheid. Dat niet alleen, maar als eerste mensen op aarde konden Adam en Eva ook nog geen lering trekken uit de fouten van anderen. Ze hadden immers geen tradities, overleveringen of geschiedenissen voorhanden waaruit ze wijsheid konden putten. En behalve dat ene, enkele bevel van God over de verboden vrucht, hadden ze verder geen ouderlijk voorbeeld of voorbeelden van andere familieleden om hun gedrag op af te stemmen. Ze waren dus niet alleen ‘kinderen’, maar ze waren eigenlijk ook nog een soort ‘wezens’ die hun eigen weg in de Tuin moesten vinden.
Toch wil Paulus beiden als volledig verantwoordelijk zien, maar dat heeft in feite niets met het Eden-verhaal van doen: zijn theologie vereist dat nu eenmaal van hem!
De ironie is dat God hier Zijn genade nu juist voor het eerst laat zien. Eerst werd aan Adam verteld dat hij zeker dood zou gaan als hij van de verboden vrucht zou eten, maar vervolgens wordt dit omgezet in een genadige verbanning uit Eden. Kennelijk vond God dat er ‘verzachtende’ omstandigheden waren.
Nu kunnen wij misschien beter begrijpen waarom het woord voor zonde nergens in het Eden-verhaal voorkomt, en ook waarom het wel voorkomt in het daarop volgende verhaal van Kaïn en Abel. Adam had alleen een verbod gehoord, maar geen verdere morele opvoeding of instructies genoten; Kaïn daarentegen had al een voorbeeld aan zijn vaders misstap, en kreeg bovendien ook nog speciaal advies van God over hoe hij het best kon handelen bij de weigering van zijn offer en de acceptatie van die van Abel:
God vroeg hem: ‘Waarom ben je zo kwaad, waarom kijk je zo donker? Handel je goed, dan kun je toch iedereen recht in de ogen kijken? Handel je slecht, dan ligt de zonde op de loer, begerig om jou in haar greep te krijgen; maar jij moet sterker zijn dan zij.’
Genesis 4:6-7
Kaïn kreeg dus een duidelijk moreel voordeel boven Adam. Toch koos hij tegen beter weten in voor het kwade: dat is pas zonde!
In de Thora is het falen van de mens-God-relatie meestal ondergeschikt aan het falen van de mens-mens-relatie. Het is vooral wanneer de mensen elkaar iets aandoen, dat zij God ook iets aandoen. Dit is een belangrijke reden waarom het woord zonde niet in het Eden-verhaal voorkomt waar de mens-God-relatie centraal staat, maar wel in het Kaïn-en-Abel-verhaal, waar de mens-mens-relatie centraal staat.
Wanneer koning David veel later zegt: ‘Chatati Leadonai (ik heb gezondigd tegen God)’ (2 Samuël 12:13), wordt deze zelfde gedachtelijn gevolgd. Hij heeft het dan niet over zijn gebrekkige offers of over zijn oppervlakkige gebeden aan God, dat wil zeggen niet over zijn directe relatie tot God, maar uitsluitend over zijn verantwoordelijkheid voor de dood van de man van Batseba, Uria de Hittiet. Daarin trof hij God het ergste en daarvoor zegt hij ook chatati Leadonai, ‘ik heb gezondigid tegen God.’
Het jodendom definieert de relatie tussen mens en God als iets dat alleen gevonden kan worden in de intermenselijk relatie, omdat God het meeste aanwezig is in de mens. Van heel Zijn schepping, is de mens het enige wezen dat tot leven gewekt was door Zijn heilige adem. Hierdoor komt het dat moord in het jodendom min of meer gelijk staat aan ‘Godsmoord’. In vergelijking met geweld en onrechtvaardigheid tussen mensen onderling (in het Hebreeuws chamas, Gen. 6:11, 13), dat wil zeggen, in vergelijking met intimidatie, moord, wreedheid, en uitbuiting – hetgeen bij de zondvloed en de vernietiging van Sodom overigens Gods enige motief was – is een ‘zonde’ van de mens in zijn directe relatie tot God meestal van minder belang, tenzij het afgoderij betreft.
De profeten zoeken de oorzaak voor de vernietiging van Jeruzalem en Israëls nederlaag tegen de Assyrische en Babylonische grootmachten bijvoorbeeld niet zozeer in het falen van de juiste naleving van de rituele offerdienst, de spijswetten, de vele religieuze feesten of in andere aspecten van de mens-God-relatie, maar hoofdzakelijk in het falen van een goede naleving van de ethische wetten die de intermenselijke relatie regelen: Israël heeft haar sociale plichten ten opzichte van de zwakkeren in de samenleving veronachtzaamd. Er was een schrijnend gebrek aan tsedeka (sociale rechtvaardigheid), aan medeleven en steun voor de armen, de weduwe, de wees en de vreemdeling (Jes. 3:15, 10:1-4, 41:17-20; Jer. 7:6, 22:3, enz.). Zij heeft het beroemde adagium ‘gerechtigheid, gerechtigheid zult gij najagen’ (Deut. 16:20), volledig aan haar laars gelapt! En niet alleen dat, Israël heeft zich ook nog eens ingelaten met de afschuwelijk praktijken van het brengen van kinderoffers, afgekeken van de naburige Kanaänieten. Zowel Jesaja (30:33, 57:5) als Jeremia (7:29-31, 19:2-9, 32:26-35), Ezechiël (16:20-21, 20:26, 20:31, 23:37-39 ) en Micha (6:7-8) zien juist in dit grove falen van de mens-mens-relatie de oorzaak van de rampzalige situatie waarin Israël zich in hun tijd bevond!
Gods doding van de twee zonen van Aaron, Nadab en Abihu (Lev. 10:1) voor het offeren van ‘vreemd vuur’, en van Uzzah in 2 Samuël 6:7 omdat hij de heilige ark aanraakte, twee voorbeelden van zondig gedrag tegen Hemzelf, worden aangedragen als uitzonderingen die deze regel bevestigen.
Door echter Adam en Eva’s ongehoorzaamheid tegen God als de grootst mogelijke zonde te bestempelen, benadrukt Paulus het belang van de mens-God-relatie ten koste van mens-mens-relatie, waar volgens de Thora het zwaartepunt werkelijk hoort te liggen. Deze verandering van accent zou het belangrijkste theologische verschil vormen tussen het jodendom en het christendom.
Kortom, het verhaal vertelt over Gods lankmoedigheid voor Adam en Eva, en duidt hun ongehoorzaamheid tegen Hem niet aan als een zonde, terwijl Paulus het de ernstigste zonde aller tijden noemt, en juist keihard is in zijn oordeel over hen. We kunnen ons hier natuurlijk wederom afvragen wiens voorbeeld onze navolging verdient, dat van Paulus of dat van God?
Over metaforen en kinderen
Als wij de traditie even opzij schuiven, kunnen wij het verhaal beter bekijken met onze eigen ogen. Het verhaal lijkt simpel, maar letterkundig gezien heeft het een zeer complexe allegorische structuur, want wij hebben hier te maken met zowel een symbool (Adam en Eva zelf) aan de oppervlakte van de verhaalstructuur, als met een volledig verborgen metafoor daaronder. Het echtpaar Adam en Eva symboliseert het vroeg menselijk ras, terwijl de vroeg morele ontwikkeling van het menselijke ras op haar beurt metaforisch vergeleken wordt met de psychologische ontwikkeling van jonge kinderen tussen de leeftijd van twee en ruwweg zes jaar.
In het jargon van de literatuurwetenschap zou de morele ontwikkeling van de vroege mensheid als impliciete tenor of onderwerp van deze verborgen metafoor beschreven worden, en de psychologische ontwikkeling van het jonge kind als impliciet vehikel daarvan.
Het werkelijke onderwerp van het Adam-en-Eva-verhaal gaat dus over het moment in de vroege ontwikkeling van de mens, waarop een echt moreel besef zich begon te ontwikkelen, het moment waarop een gevoel voor goed en kwaad en de ontwikkeling van het geweten – allemaal hoofdthema’s in de Thora – hun eerste entree in de wereldgeschiedenis maakten. Het verhaal van de vrucht, de ongehoorzaamheid en de verbanning beschrijft dit voorstadium van de geschiedenis van de Thora zelf, in de veronderstelling dat de allervroegste mensen, moreel gezien, eigenlijk nog heel kleine kinderen waren. Het verhaal als geheel functioneert als een etiologische verklaring of genetic myth in antwoord op de vraag hoe wij mensen ooit een moreel besef kregen. Tegelijkertijd geeft het ook een antwoord – het eerste antwoord van de Thora zelf, maar lang niet haar enige! – op de kernvraag van de theodicee, namelijk, hoe komt het dat ons leven op deze aarde zo omgeven werd en wordt door zware arbeid en ondraaglijk lijden?
Deze verborgen vergelijking tussen het vroeg menselijke ras en het gedrag van jonge kinderen verklaart ook waarom Adam en Eva als jonge kinderen beschreven worden. Eerst lopen ze helemaal onbekommerd naakt rond in de Tuin, zoals zeer jonge kinderen dat doen. Er wordt hen verteld wat wel en niet mag door hun ouderverzorger, ze hebben nog geen idee wat goed en kwaad betekent, ze kunnen de gevolgen van hun eigen gedrag nog niet overzien, ze luisteren niet en – nog het ergste – ze stoppen dingen in hun mond die niet goed voor ze zijn! Dit alles doet ons sterk denken aan het gedrag van jonge kinderen tijdens de eerste vier levensjaren.
Dan zien wij dat ze nog niet in staat zijn om hun eigen verantwoordelijkheid te nemen als ze stout zijn geweest, dat ze proberen zich te verbergen voor hun boze ouder en dat ze bovendien elkaar de schuld in de schoenen proberen te schuiven, maar we zien ook dat ze zich nu wel degelijk bewust zijn van hun eigen naaktheid en dat ze intussen schaamte kunnen voelen, allemaal elementen die sterk doen denken aan een latere fase van de kinderjaren wanneer het schuldbesef – de basis voor de vorming van het geweten – voor de eerste keer haar intree doet.
Een niet-letterlijke interpretatie van het Adam-en-Eva-verhaal kan dus het beste begrepen worden in termen van wat wij nu de ‘ontwikkelingspsychologie’ noemen. Deze tak van de moderne psychologie is geassocieerd met de namen van de Zwitser, Jean Piaget (1896-1980) en de Deen, Erik Erikson (1902-1994). Piaget legde bijvoorbeeld de nadruk op het zintuiglijke aspect van de leeftijd van zeer jonge kinderen tussen nul en twee jaar, terwijl Erikson het belang van veiligheid en warmte benadrukte, vooral in het eerste levensjaar. Voor Piaget waren de vroegste kinderjaren een periode waarin kinderen de wereld om zich heen ontdekten door zintuiglijke waarneming, dat voorafging aan het denken of beslissingen nemen. Erikson zag de allervroegste jaren als een soort verlengstuk van de baarmoeder, waarin kinderen voornamelijk beschermd moesten worden en hun basisgevoel van veiligheid in de wereld moesten opdoen, alvorens ze hun eigen wil konden ontwikkelen.
Voor Erikson waren er in feite vier fasen van de kinderjaren te noemen, die van veiligheid, tussen de geboorte en één jaar, die van de eigen wil, tussen twee en drie jaar, die van de ontwikkeling van een schuldbesef, tussen vier en zes jaar, en die van de ontwikkeling van de eigenwaarde, tussen ruwweg zeven en twaalf jaar.
Het is treffend dat de allegorische beschrijving in de Thora stap voor stap overeenkomt met de eerste vier fasen van Erik Eriksons beschrijving van de vroegste kinderjaren! Eerst voelden Adam en Eva zich veilig – Eriksons eerste fase – in de beschermde omgeving van de Tuin die hun ‘Vader’ voor ze gemaakt had. Met de twee bomen in het midden als oriëntatiepunt kenden ze de tuin op hun duimpje. Enige tijd later kregen ze hun eigen wil – Eriksons tweede fase – en waren hun Vader ongehoorzaam. Hier is Piagets zintuiglijke theorie trouwens ook relevant, want ze waren ongehoorzaam door iets in hun mond te stoppen dat hen verboden was. En dan komt Eriksons derde fase, die van het schuldbesef.
Deze vergelijking met de ontwikkelingspsychologie zet zich overigens ook na de verbanning nog door. Net zoals sommige kinderen op de basisschool het moeilijk vinden om zich staande te houden en nog moeten leren om sociaal met anderen om te gaan zonder er direct op los te slaan, heeft Kaïn zijn emoties nog niet onder controle als hij zich in zijn eigenwaarde – Eriksons vierde fase - aangetast voelt. Het eerste wat hij doet als hij jaloers is en een teleurstelling moet incasseren, is slaan.
Jakob daarentegen is een grote stap verder in zijn ontwikkeling, want hij maakt zich geen enkele keer schuldig aan fysiek geweld. Zelfs zijn beroemde worstelpartij met de engel is van zijn kant niet gewelddadig. Maar het schort hem nog wel aan gewetensvorming, zeker met betrekking tot Lea, met wie hij seks bedrijft maar die hij niet lief kan hebben, en ook met betrekking tot zijn vele zoons die hij bij Lea en de twee bijvrouwen krijgt, zoons die hij volledig negeert, omdat zijn hart alleen bij Rachels kindje, Jozef, is. Jakob kan zich helemaal niet inleven in hoe het voelt om niet liefgehad te worden!
Het hoogtepunt van het ontwikkelingsverhaal van het boek Genesis wordt door Jozef bereikt. Hij heeft intussen door zijn eigen lijden geleerd hoe het voelt om overgeleverd te zijn aan de macht van anderen. En nu dat hijzelf die macht heeft, kan hij zich inleven in de situatie van zijn eigen broers, die nu in zijn macht zijn. Dit maakt het voor hem mogelijk om ze ook te kunnen vergeven.
Van het prille begin van de morele ontwikkeling, zoals vertegenwoordigd door de ‘peuters’ Adam en Eva, tot de kroon ervan, namelijk Jozefs volwassen vergiffenis van zijn broers, blijkt het hele boek Genesis de vroeg morele geschiedenis van het menselijke ras te vergelijken met de verschillende fasen van de psychologische ontwikkeling van het individu, van de geboorte tot en met de rijpe volwassenheid.
Op die manier bekeken is het Eden-verhaal dus een allegorische beschrijving van de eerste fase van dit proces.
Maar zou het concept straf in dit ‘kinderdrama’ dan niet ook een rol moeten spelen? Ook dat woord komt nergens voor in de tekst van het verhaal! Een straf is namelijk een vergelding die wordt opgelegd voor iets dat in het verleden gedaan is, maar Gods woorden in 3:22-23 maken overduidelijk dat de motivatie voor de verbanning alleen te maken heeft met Zijn zorg voor de toekomst:
‘De mens is aan ons gelijk geworden, hij heeft nu inzicht in goed en kwaad. Ik wil verhinderen dat hij ook nog de vruchten van de levensboom plukt. Want als hij die eet, zal hij voor altijd leven.’ Daarom stuurde God, de Heer, hem weg uit de tuin van Eden om de grond te gaan bewerken waaruit hij gemaakt was.
Dáárom stuurde hij hen weg, en niet omdat de mens gestraft moest worden! Hier hebben wij één van de weinige theologische paradoxen in de Thora, want hoewel Gods vrijheid absoluut is, vindt Hij toch dat Hij hier geen keuze heeft: Hij moet Adam en Eva verbannen, anders kunnen ze ook van de boom des levens gaan eten en nog meer op Hem gaan lijken dan nu al het geval is. Drie ‘goden’ zouden voor Hem twee te veel zijn!
Wat wij hier hebben is een preventieve maatregel, een beslissing die alleen genomen is om erger te voorkomen!
God voelt Zich hiertoe gedwongen en hij doet het niet gaarne! Hij weet best dat Adam en Eva in een staat van onschuld verkeerden toen ze ‘stout’ waren en niet naar Hem luisterden. Zijn woorden in 3:16-19 aan Adam en Eva zijn dus ook niet als een vloek bedoeld, en ook niet als straf, maar louter als een nuchtere, objectieve maar ook sombere opsomming van de harde omstandigheden die Adam en Eva voortaan zullen moeten ondervinden op aarde. Trouwens, een heel jong kind zwaar straffen omdat hij bijvoorbeeld met een scherp mes speelt is onzinnig, ook al is hij daarvoor gewaarschuwd. Beter is het om preventief alle messen buiten zijn bereik te houden!
Toch is Gods toon onmiskenbaar boos in 3:16-19. Als hun ‘Vader’ had Hij liever gewild dat Adam en Eva eeuwig in Eden konden blijven, maar daar waren ze nu, moreel gezien, te oud voor geworden. Gods ongenoegen hier is in eerste instantie een functie van zijn liefde. Net als elke ouder het moeilijk vindt om kinderen de ‘harde’ wereld in te sturen, vindt God het ook moeilijk! Welke ouder laat opgroeiende kinderen gemakkelijk los?
Maar op zich is dit niet genoeg om de intensiteit van Gods boze toon te verklaren! Er komt nog iets anders bij, namelijk dat Adam en Eva niet alleen ongehoorzaam waren, maar dat ze zichzelf daarbij ook in de vingers sneden! Elke ouder met een ongehoorzaam kind kan een beetje boos zijn, maar een ouder is pas werkelijk boos als het kind zichzelf daarmee ook iets aandoet! Dat is nu juist precies het geval met de verboden vrucht. God spreekt Zijn kinderen alleen zo boos toe omdat ze door hun ongehoorzaamheid zichzelf gestraft hebben. En dat doet Hem ook pijn!
Hij spreekt dus geen vloek uit, noch over Eden, noch over de aarde, waardoor de grond van nu af aan ‘ineens zo onvruchtbaar wordt’. Nee, de ‘vloek’ zit hem in het feit dat Adam nu moet verhuizen van de ene plek naar de andere, een plek waar de boom des levens niet groeit, maar waar, als bijkomstigheid, de grond ook veel minder vruchtbaar is dan wat hij tot nu toe gewend was. De grond zal dus alleen in overdrachtelijke zin ‘vervloekt’ zijn, omdat Adam zijn broodwinning ten oosten van Eden ongetwijfeld als een vloek zal ervaren.
Wat veel mensen ook vergeten is dat Gods boosheid tegen het echtpaar niet het laatste woord krijgt in deze kwestie; dat is gereserveerd voor Zijn liefde. Meteen nadat Zijn boze bui voorbij is, lezen wij dat ‘God de Heer kleren maakte van dierenhuiden voor de man en zijn vrouw en hun die aandeed’ (3:21).
Gods ontsteltenis over wat er gebeurd is, is dus gewoon analoog aan de wens van ouders in het algemeen om hun nog onschuldige kinderen te beschermen van een ware kennis van hoe de echte wereld in elkaar zit. De Engelse dichter Thomas Gray heeft het lang geleden perfect verwoord in zijn “Ode on a Distant Prospect of Eton College”. Als volwassene terug op bezoek bij zijn oude basisschool, ziet hij een hele nieuwe generatie jonge leerlingen aan het samenspelen langs de oever van de Theems. Zou hij ze niet waarschuwen voor al de valkuilen van de harde wereld waarvan ze nu nog onkundig zijn, valkuilen die hij sinds zijn jonge jaren met zo veel pijn zelf ontdekt heeft? Helemaal aan het eind van deze grote ode, komt hij tot een beslissing:
Yet ah! Why should they know their fate?
Since sorrow never comes too late,
And happiness too swiftly flies,
Thought would destroy their paradise.
No more; where ignorance is bliss
'Tis folly to be wise.1747
De verbanning is dus analoog aan het tegenovergestelde inzicht, namelijk dat kinderen op een gegeven moment toch hun weg moeten vinden in een wereld die veel harder is dan wat ze tot nu toe gekend hebben.
Wetend hoe hard de echte wereld is, had God Zijn kinderen het liefst eeuwig bij Zich willen laten blijven in een permanente staat van onschuld; wetend dat ze ‘te oud’ waren geworden voor zo’n leven, en niet meer onschuldig, heeft Hij ze ‘schoorvoetend’ de wereld ingestuurd. Het verhaal doet hiermee niet alleen recht aan de ontwikkelingspsychologie van het kind, maar ook aan de psychologie van de ouder met zijn normale gevoelens van ambivalentie ten opzichte van het verlies van de onschuld van zijn kinderen.
Hoe dan ook, het feit dat Gods emotionele woorden in 3:16-19 als eerste in de tekst staan, en zo’n grote indruk op de lezer maken, gecombineerd met de zeer invloedrijke ‘straftheologie’ van Paulus, verklaart waarom de preventieve motivatie voor de verbanning in 3:22-23 zo in de schaduw is komen te staan. De meeste mensen hebben zelfs nog nooit gehoord van deze rationele motivatie, terwijl het er toch zwart op wit staat!
En Eva? Paulus en zijn vele mannelijke navolgers vonden haar een gemakkelijk doelwit voor hun eigen vrouwonvriendelijkheid, maar ook hier heeft de joodse traditie een andere kijk op de zaak. Toen God Adam waarschuwde om niet van de verboden vrucht te eten, was Eva nog niet eens geboren. Zij kent Gods waarschuwing dus alleen ‘van horen zeggen’, via Adam dus, en zijn woorden legden bij haar natuurlijk veel minder gewicht in de schaal dan wanneer het een direct verbod van God Zelf zou zijn geweest, persoonlijk aan haar gericht.
Zij was in eerste instantie ook niet geschapen om naar Adam te luisteren, maar alleen om hem behulpzaam te zijn als een gelijke partner: het Hebreeuwse woord hiervoor, kenegdo, dat letterlijk ‘tegenover zich’ en niet ‘onder zich’ betekent, wordt twee keer gebruikt in 2:18 en 2:20! Een andere mogelijke vertaling is ‘in overeenstemming met hem’. Dit cruciale woord is door de Nieuw Bijbelvertaling, de NBG-vertaling uit 1951 en de Willibrord-vertaling uit 1995 op een veel te vage wijze overgebracht als ‘die bij hem past’, of dat nu gelijk met hem of onder hem is, wordt in het midden gelaten. Alleen de oudste vertaling, de Statenvertaling uit 1637, en de nieuwste vertaling, die van de Groot Nieuws Bijbel uit 1996, vertalen kenegdo als ‘tegenover hem’.
Op het moment dat zij van de vrucht at, had Adam dus geen speciaal gezag over Eva, en zij geen speciale reden om naar zijn woorden te luisteren. Dat kwam pas later, toen God zei: ‘Uw begeerte zal voortaan naar uw man uitgaan, en hij zal over u heersen’ (3:16).
Dit alles zien de rabbijnen als verzachtende omstandigheid voor het feit dat zij als eerste van de verboden vrucht at.
Wij mogen ook niet vergeten dat Adam buiten Eden geschapen was en daarna in de Tuin geplaatst, terwijl Eva als enige in de Tuin zelf geboren was. Zij krijgt ook de eer om als eerste in de hele Thora de naam van God uit te mogen spreken! Haar Hebreeuwse naam, Chava, betekent ‘bron des levens’ en veel van haar ‘dochters’, zoals Sara, Rebekka, Ruth en Ester zullen later een beslissende rol gaan spelen in de toekomst van Gods heilige volk.
Een Tuin van Eden waar wel gewerkt moest worden, waar dood en lijden wel aanwezig waren, maar waar zonde en straf geen rol speelden, is een Tuin die toch eigenlijk bemoedigender is dan wat de meesten van ons tot nu toe kenden. Het is een Tuin die meer op de aarde lijkt dan wij ooit dachten! Het is ook voornamelijk een joodse Tuin, waar de erfzonde nooit wortel heeft geschoten. Het begrip erfzonde is niet alleen het jodendom vreemd, het wordt ook nergens in het derde abrahamitische geloof, de islam, gevonden.
Het is grotendeels een uitvinding van Paulus, een uitvinding die Augustinus vele eeuwen later verder uitwerkte tot een hele leer die een eigen leven kon gaan leiden zonder enige sturing van de tekst van het verhaal zelf.
In zijn eigen leer, bijvoorbeeld in de beroemde Bergrede van Matteüs 5-7, heeft Jezus het zelf nergens over de ‘zonde’ van Adam en Eva, over een vijandschap tussen mens en God, over de verbanning als straf, over de dood die toen zijn entree maakte in de wereld, of over een erfzonde die aan alle nakomelingen ten deel zou vallen.
Wat hij van een dergelijke leer zou hebben gevonden is zeker een intrigerende vraag!














