Europa en antisemitisme

Daar Europa steeds aggresiever wordt in haar antisemitisme en daardoor meer en meer vijandig staat tegenover de staat Israël, is het nodig om de aard van het antisemitisme gedegen te onderzoeken.

Sigmund Freud probeert in zijn boek Moses and Monotheisme de Joodse geschiedenis en de vorming van het volk Israël en het jodendom te begrijpen. Terwijl het werk vanwege de vele onbewezen veronderstellingen onder hevige kritiek is komen te liggen, is het opmerkelijk dat veel theologen en sociologen toch instemmen met Freuds verklaring van antisemitisme.

Men zou kunnen zeggen dat zij (de antisemieten) slechts gedoopt zijn onder een dun laagje christendom maar altijd barbaarse polytheïsten zijn gebleven, net als hun voorouders. Zij hebben nog niet hun wrok tegen de nieuwe religie overwonnen die hen is opgedrongen en projecteren dit op de bron van waaruit het christendom is voortgekomen. De haat tegen het jodendom is ten diepste haat tegen het christendom.1

Dit is een diepgaande diagnose. Zorgvuldig onderzoek naar de geschiedenis van het christendom en de westerse beschaving maakt overduidelijk dat beide verregaand beïnvloed zijn door het jodendom wat betreft de vele morele waarden. Deze waarden werden echter niet gemakkelijk geaccepteerd. In feite werden ze vaak bestreden en belachelijk gemaakt. Miljoenen pasgeboren christenen groeiden op in de heidense wereld van Rome en waren niet in staat om zichzelf te ontdoen van haar moreel discutabele praktijken en haar overtuigingen. Daardoor raakte het christendom in de loop van haar geschiedenis verstrikt in polytheïstische ideeën. Dit creëerde uiteindelijk een religieuze maatschappij die zich nooit op haar gemak heeft gevoeld met de basisconcepten van het monotheïsme. Dit resulteerde in een complexe psycho-religieuze conditie die miljoenen christenen gevangen hield in een uiterst oncomfortabele situatie waarin ze niet in staat waren om een helder onderscheid te maken tussen authentiek monotheïsme - met haar morele eisen - en heidense praktijken. Met uitzondering van enkele zeer erudiete, christelijke denkers konden de meeste vertegenwoordigers van het christendom zich niet bevrijden van deze invloeden.

In 1948 stelde de welbekende christelijke denker A. Roy Eckhardt de vraag of de christelijke kerk de synagoge ooit zou kunnen vervangen in de strijd tegen het heidendom. Zijn antwoord was nee, omdat de kerk zelf vatbaar is voor heidense vervormingen. Het jodendom protesteert tegen alle vormen van afgoderij: ‘Hoor Israël, de Eeuwige onze God is één God.’2 Zowel hij als anderen, onder hen de beroemde protestantse denker Paul Tillich, zeiden daarop dat het jodendom altijd nodig zal blijven omdat zij het tegengif is tegen het heidendom, dat verpakt zit in het christendom.3

Freuds diagnose is daarom weinig verrassend. Christenen hadden de grootste moeite om de eenheid van G’d te aanvaarden, maar een nog groter probleem was de aanvaarding van de consequenties daarvan. Het ethisch appel van deze God vereist veel zelfdiscipline en riep daardoor veel weerstand op. Waar het uiteindelijk op neerkwam, was het bewustzijn dat Jezus een Jood was die veel van de joods-ethische waarden incorporeerde in zijn leringen, hetgeen veel vroege christenen zich deed keren tegen het authentieke christendom.

De zionistische leider en auteur Harry Sacher schreef in 1940 in zijn studie over het antisemitisme dat het Europese antisemitisme in feite een wraakactie is tegen de profeten. Het is omdat de Jodden ethiek brachten en het concept van zonden in de westerse wereld. De Europese christen kan de Jood niet het hem gegeven christendom vergeven. Het is niet omdat zij goede christenen zijn dat de Europeanen instinctief antisemieten zijn, het is omdat ze slechte christenen zijn - in werkelijkheid onderdrukte heidenen.4

Antisemieten zijn bang voor Jezus. Zij vallen hen aan die verantwoordelijk zijn voor de geboorte en verspreiding van het christendom. Zij spugen op de Joden, niet omdat ze Jezus gedood hebben, maar omdat ze Jezus gegeven hebben. Hun haat tegen Joden is het resultaat van hun haat tegen Jezus.

Een deel van de westerse wereld heeft altijd geprobeerd om een scheiding aan te brengen tussen de twee, daar zij het niet kon accepteren dat beide in werkelijkheid een zijn. Ze riep daarom op tot vernietiging van het jodendom, zodat de onzekerheid van haar geweten en de realiteit van haar zonden kon worden uitgewist. Verzet tegen haar eigen lotsbestemming eiste de vernietiging hen die haar daaraan hielp herinneren. De Jood verpestte het antisemitische leven door de ethische opdrachten van de wet en het kruis te benadrukken. Daarom herhaalden de antisemieten de kruisiging van hun redder door het martelen en doden van Joden, die voor hem de leringen van de Jood Jezus vertegenwoordigde.

Wanneer we kijken naar Europa dan zien we een toename van heidense gebruiken en een afname van joods-christelijke waarden. Het is daarom niet verbazingwekkend dat het aanstuurt op meer problemen en zich inzet voor het in steeds verdere mate onwettig verklaren van de staat Israël. Het is voor Joden belangrijk te realiseren dat zij gehaat worden vanwege hun verzet tegen het heidendom en vanwege haar onwankelbare inzet voor moraliteit. En daar zouden ze trots op moeten zijn. Joden zouden toch op zijn minst voor de juiste redenen gehaat moeten worden.

1. Sigmund Freud, Moses and Monotheism, Knopf NY, 1939, p.145. See Will Herberg, Judaism and Modern Man, Atheneum, NY, 1973, p. 284.
2. A.Roy Eckhardt, Christianity and the Children of Israel, Columbia University Press, NY, 1948, pp. 146-147.
3. Geciteerd door Eckhard, op. cit., pp.146-147.
4. Harry Sacher, Revenge on the prophets: A Psychoanalysis of Anti-Semitism, Menorah Journal, vol. 18, najaar 1940.

bron: cardozoschool.org