door Paul Gabriner
Een joodse kijk op de verbanning door Uri Sherki
Een bezoek aan onze groep door Lopes Cardozo
De tragedie van de religieuzen door Coopersmith & Zeldman
Sinaï: geschiedenis of legende door Clorfene & Rogalsky
Een opsomming door Terry N. Lanham
Een korte geschiedenis door asknoah.org
De zeven geboden in de Bijbel door Tracey R. Rich
Wat geloven joden? door Dovid Gottlieb
Een rationele rechtvaardiging om joods te leven door asknoah.org
Noachieten en de sabbat door S. Severin
Noachitisch christendom door Terry N. Lanham
Suggesties voor noachieten door Lopes Cardozo
Europa en antisemitisme door Lopes Cardozo
Universele liefde - is dat mogelijk? |
|
Een andere kijk op het Nieuwe Testament
|
|
door Sefanja Severin
|
|
Alhoewel het orthodoxe jodendom ons uitgangspunt vormt bij de studie van de noachitische geboden, nodigen we ook
andersdenkenden uit om kennis te nemen van de voor hen geldende instructies. Bekering tot het noachisme is namelijk niet
vereist, zolang men maar de noachitische geboden in acht neemt. In het noachisme gaat het in eerste instantie namelijk
niet om wat je gelooft maar om wat je doet. Er zijn joodse opvattingen die stellen dat het voor een niet-jood
beter is zijn bestaande religie te verbeteren dan om deze te verlaten (zie wikinoah.org).
In Bijbelteksten waar sprake is van ‘de wet’ of ‘de geboden’ heb ik het woord Thora ingevoegd, omdat deze
associatie bij veel christenen niet meer bestaat. De Thora betekent niet zozeer ‘wet’ maar eerder ‘instructie’.
Zij is niet een wet die ons beperkt maar een instructie die ons in staat stelt om maximaal te leven (zie Deuteronomium 4:40).
De Nederlandse Geloofsbelijdenis
In artikel 25 van de Nederlandse
Geloofsbelijdenis staat: ‘Wij geloven dat de ceremoniën en figuren der Wet opgehouden hebben met de komst van Christus, en dat alle
schaduwen een einde genomen hebben; alzo dat het gebruik daarvan onder de Christenen weggenomen moet worden.’
Deze belijdenis wringt met Jezus' woorden: ‘Wie dus ook maar een van de kleinste van deze geboden afschaft en aan anderen leert
datzelfde te doen, zal als de kleinste worden beschouwd in het koninkrijk van de hemel’ (Matteüs 5:19).
Moeten christenen dan weer de ‘ceremoniën en figuren’ op zich nemen?
Achter deze vraag schuilt een foutief uitgangspunt, namelijk dat er voor zowel de jood als de niet-jood slechts één weg naar God mogelijk is.
Het gebod der liefde: vaag of concreet?
Sommige theologen stellen dat Jezus alle geboden vervangen heeft door slechts één gebod: het gebod der liefde. Want ‘wie de
ander liefheeft, heeft de gehele wet vervuld’ (Romeinen 13:8). Toch zijn er veel meningsverschillen over wat die liefde
nu precies inhoudt. Wat door de een ‘doden uit genade’ wordt genoemd, veroordeelt de ander als ‘moord’. Terwijl de een
homoseksualiteit veracht, ziet de ander dat als een uiting van het gebod der liefde.
Paulus bedoelde in Romeinen 13 de wet dan ook niet te vervangen door één enkel gebod, hij trachtte haar slechts samen te vatten.
‘Pleeg geen overspel, pleeg geen moord, steel niet, zet uw zinnen niet op wat van een ander is’ – deze en alle andere
geboden [uit de Thora] worden samengevat in deze ene uitspraak: ‘Heb uw naaste lief als uzelf.’ (Romeinen 13:9)
Wie dus wil weten wat deze naastenliefde inhoudt, zal daarvoor de geboden moeten studeren.
Liefhebben houdt in dat we leven volgens Gods geboden [uit de Thora]. (2 Johannes 1:6)
Dit is geen wetticisme.
Wij daarentegen weten dat de wet [Thora] goed is als hij op de juiste wijze gebruikt wordt. (1 Timoteüs 1:8)
Zorg ervoor dat uw spreken en uw handelen de toets kunnen doorstaan van de wet [Thora] die vrijheid brengt. . . .
Wat heeft het voor zin als iemand zegt te geloven, maar hij handelt er niet naar? (Jakobus 2:12, 14)
Twee wegen, één doel
Maar om welke wet gaat het dan? Voor joden is het helder: zij hebben van God de mozaïsche wet bij Sinaï ontvangen. Een wet
die volgens Jezus ook na zijn komst nog altijd van kracht is.
Wie dus ook maar een van de kleinste van deze geboden [uit de Thora] afschaft en aan anderen leert datzelfde te doen, zal als de kleinste
worden beschouwd in het koninkrijk van de hemel. Maar wie ze onderhoudt en dat aan anderen leert, zal in het koninkrijk van de
hemel in hoog aanzien staan. (Matteüs 5:19)
Maar welke geboden hebben de christenen, de niet-joden gekregen? Dezelfde wet als de joden?
In de tijd van de eerste christenen waren sommige joden van mening dat God van niet-joden verlangde dat zij joods
werden, dat ook zij de mozaïsche wet op zich moesten nemen.
Enkele gelovigen die tot de partij van de farizeeën behoorden, gaven echter te verstaan dat ook de niet-joodse gelovigen
dienden te worden besneden [joods moesten worden] en opdracht moesten krijgen zich aan de wet [Thora] van Mozes te houden. (Handelingen 15:5)
Na een debat kwamen ze echter tot de conclusie dat niet-joden de mozaïsche wet niet hoefden te houden, maar dat zij een andere
wet hadden, welke in het volgende citaat wordt samengevat.
Daarom ben ik van mening dat we de heidenen die zich tot God bekeren geen al te zware lasten moeten opleggen [de mozaïsche
wet], maar dat we hun moeten schrijven dat ze zich dienen te onthouden van wat door de afgodendienst bezoedeld is, van ontucht,
van vlees waar nog bloed in zit en van het bloed zelf. (Handelingen 15:19-20)
De uitspraak van deze vergadering der farizeeën (ook Paulus noemde zichzelf een farizeeër, zie Handelingen 23:6 en 26:5) had in principe Jezus'
steun. Hij zei namelijk: ‘De schriftgeleerden en de farizeeën hebben plaatsgenomen op de stoel van Mozes. Houd je dus aan alles wat
ze jullie zeggen en handel daarnaar’ (Matteüs 23:2-3).
Dus in plaats van te stellen dat niet-joden dezelfde wet moesten volgen als de joden door zelf joods te worden, kwamen de farizeeën
in Handelingen 15 tot de conclusie dat er twee verschillende wetten waren: een voor joden en een voor niet-joden.
Geheel in de traditie van de farizeeën, raadde Paulus het zelfs af om joods te worden.
Iemand die besneden [joods] was toen God hem riep, moet het niet ongedaan laten maken. Iemand die onbesneden [niet-joods]
was toen God hem riep, moet zich niet laten besnijden [joods worden]. Het is volkomen onbelangrijk of men wel of niet besneden [joods] is,
belangrijk is dat men de geboden van God [uit de Thora] in acht neemt [waaronder natuurlijk het gebod op de besnijdesis]. (1 Korintiërs 7:18-19)
Als Paulus het belangrijk vond dat men de geboden van God in acht nam, dan vond hij het dus belangrijk dat joden zich lieten besnijden,
want dat is een gebod van God. Dat dit inderdaad Paulus' overtuiging was, blijkt uit het feit dat hij Timoteüs liet besnijden (zie Handelingen 16).
(Timoteüs was immers van een joodse moeder en daarom volgens de farizeeën zelf ook joods.) Paulus noemde de wet dan ook heilig, rechtvaardig en goed,
en het werk van de Geest (Romeinen 7:12, 14).
De wet nog steeds van kracht
Paulus' punt in de Romeinen-brief was niet dat de wet geheel of gedeeltelijk afgedaan had. Zijn punt was dat er door de wet geen rechtvaardiging mogelijk is,
dat we daarvoor afhankelijk zijn van Gods genade.
Betekent dit nu dat we vrijuit mogen zondigen omdat we niet onder de wet [Thora] staan, maar onder de genade leven? Absoluut niet. (Romeinen 6:15)
‘Niet onder de wet staan’ betekent dus niet dat we ons niet aan de geboden hoeven te houden, want dat is zondigen.
Zondigen is Gods wet [de Thora] overtreden. (1 Johannes 3:4)
‘Niet onder de wet staan’ betekent slechts dat we niet onder de vloek van de wet staan.
Christus heeft ons van de vloek van de wet [Thora] vrijgekocht [niet van de wet zelf]. (Galaten 3:13)
Wie zich laat leiden door de Geest onderwerpt zich aan de wet (aan de geboden van de wet, maar niet aan de vloek van de wet).
Wie zich door zijn eigen natuur laat leiden is gericht op wat hij zelf wil, maar wie zich laat leiden door de Geest is gericht op wat de Geest wil. . . .
Onze eigen wil staat vijandig tegenover God, want hij onderwerpt zich niet aan zijn wet [Thora] [de Geest doet dat dus wel]. (Romeinen 8:5, 7)
Misverstand
Omdat Paulus zowel aan joden als niet-joden leerde, onstond er wel enige verwarring.
Nu is hun verteld dat jij de Joden die onder de heidenen wonen aanspoort tot ontrouw aan Mozes; je zou beweren dat ze hun kinderen niet
hoeven te besnijden en dat ze zich niet aan de voorschriften [van de Thora] hoeven te houden. (Handelingen 21:21)
Wie verder leest, ziet dat Paulus er alles aan deed om dit misverstand uit de wereld te helpen.
Dan zal iedereen inzien dat de verhalen die over jou worden verteld onwaar zijn, en dat ook jij doet wat de wet [Thora]
voorschrijft. (Handelingen 21:24)
Dit is geheel in lijn met hetgeen Paulus schreef aan de Galaten.
Ik verzeker u dat iedereen die zich laat besnijden [joods wordt] verplicht is om de wet [Thora] volledig na te leven
[wie niet-jood blijft, hoeft alleen het gedeelte van de Thora na te leven dat van toepassing is op niet-joden]. (Galaten 5:3)
(Voor meer informatie over Paulus en de wet, zie Not Subject to the Law of God?
Voor een herinterpretatie van het Nieuwe Testament, in lijn met Matteüs 5:19: ‘Wie dus ook maar een van de kleinste van deze geboden afschaft’, ga naar
YashaNet Studies.)
Van Sinaï naar Talmoed
In datzelfde gedeelte van Handelingen 21 komen enkele wetten voor niet-joden weer ter sprake.
Wat betreft de heidenen die het geloof hebben aanvaard, hen hebben we schriftelijk op de hoogte gesteld van onze beslissing dat
ze zich in acht moeten nemen voor vlees dat bij de afgodendienst is gebruikt, voor bloed, voor vlees waar nog bloed in zit, en voor ontucht. (Handelingen 21:25)
Maar net als het gebod der liefde, is ook deze opsomming slechts een samenvatting van de niet-joodse wet. Hoe kunnen christenen de
details ontdekken? Welke relaties vallen precies onder ontucht? Is astrologie een vorm van afgoderij? En staat abortus gelijk aan moord?
Deze details van de niet-joodse wet zijn geopenbaard op Sinaï en mondeling bewaard gebleven door het Joodse volk, eerst door hun oudsten,
later door hun profeten, het sanhedrin en daarna door de rabbijnen. In de tijd van Jezus waren het de farizeeën (die ook plaatsnamen in het
sanhedrin) die de mondelinge leer bewaarden. En Jezus verleende autoriteit aan deze mondelinge leer door te zeggen: ‘De schriftgeleerden en
de farizeeën hebben plaatsgenomen op de stoel van Mozes. Houd je dus aan alles wat ze jullie zeggen en handel daarnaar’ (Matteüs 23:2-3).
Het hoeft voor een christen niet vreemd te zijn om deze wetten van joden te leren. De Bijbel is tenslotte een joods boek dat daarom joods
commentaar behoeft.
Wat is dan het voorrecht van de Jood, of wat is het nut van de besnijdenis? Velerlei in elk opzicht. In de eerste plaats toch dit,
dat hun de woorden Gods zijn toevertrouwd. (Romeinen 3:1-2)
Deze niet-joodse wet geniet veel aandacht in de Talmoed. De term die daar gebruikt wordt, is sjewa mitswot benee Noach (de zeven
geboden van de nakomelingen van Noach). In het Nederlands staan ze bekend als de noachitische geboden.
Genesis 9
Volgens Genesis was Noach, samen met zijn gezin, de enige overlevende. Daarom zijn alle mensen nakomelingen van Noach en geldt het
noachitische verbond voor alle mensen. In Genesis 9 worden twee noachitische wetten expliciet genoemd, namelijk het verbod op moord
en het verbod op het eten van een levend dier. Omdat de naties echter niet in staat bleken om de kennis van de noachitische geboden
te bewaren, zijn ze opnieuw geopenbaard op Sinaï om bewaard te worden door een eeuwig volk. Israël heeft daardoor niet de jurisdictie
gekregen over andere volken, maar zij is wel onze leermeester geworden.
Machtige naties zullen zeggen: ‘Laten we optrekken naar de berg van de Eeuwige, naar de tempel van Jakobs God. Hij zal ons onderrichten,
ons de weg wijzen, en wij zullen zijn paden bewandelen.’ Vanaf de Sion klinkt zijn onderricht, vanuit Jeruzalem spreekt de Eeuwige. (Jesaja 2:3)
Voor wie nog niet kan wennen aan het idee van twee wegen naar God, bedenk dan dat dit altijd al zo is geweest in het jodendom. Er gelden verschillende
wetten voor mannen, vrouwen, Levieten, priesters, koningen, profeten, rechters, joden en niet-joden. Ware eenheid ontstaat niet door uniformiteit
maar juist door pluriformiteit.
Wie liefheeft, studeert
God liefhebben houdt in dat we ons aan zijn geboden [uit de Thora] houden. (1 Johannes 5:3)
Liefhebben is het doen van Gods geboden. Die geboden kunnen we alleen doen als we ze kennen. De geboden studeren helpt ons dus om lief te hebben.
Wie zich daarentegen spiegelt in de volmaakte wet [Thora] die vrijheid brengt, en dat blijft doen, niet als iemand die hoort en vergeet,
maar als iemand die ernaar handelt – hem valt geluk ten deel. (Jakobus 1:25)
Bovendien krijgen christenen door het bestuderen van de details van de noachitische wet opnieuw de kans om te gaan leven naar het besluit van Paulus, Petrus
en de andere farizeeën in Handelingen 15.
|
|
|