Waar staan ze?

De zeven geboden in de Bijbel

De eerste zes wetten waren gegeven aan Adam. Deze wetten werden herhaald en een zevende werd toegevoegd toen God het regenboogverbond met Noach sloot. Vandaar dat ze bekend zijn geworden als de zeven noachitische geboden. In de orale Thora (Babylonische Talmoed, Sanhedrin, hoofdstuk 7) wordt uitgelegd hoe al deze wetten al gecodeerd aanwezig waren in een enkel vers in Genesis hoofdstuk 2. Maar laten we eerst eens starten met de vijf wetten die duidelijk genoemd worden in verschillende verzen van het boek Genesis.

  1. Verbod op moord

    Genesis 9:6: Hij, die het bloed van de mens vergiet, door de mens zal zijn bloed vergoten worden, want naar het beeld van God heeft Hij de mens gemaakt.

  2. Verbod op illegale seksuele relaties

    Vijf van de zes soorten seksuele relaties die door God voor niet-Joden verboden zijn, kun je vinden in Genesis 2:24: Daarom verlaat een man vader en moeder en verbindt zich hecht met zijn vrouw, zodat ze naar één lichaam worden. Dit vers verbiedt seksuele relaties met:

    1. Je moeder
    2. De vrouw van je vader
    3. De vrouw van een andere man
    4. Een andere man
    5. Een dier

    Seksuele relaties met de dochter van je moeder zijn ook verboden, wat je kunt lezen in Genesis 20:12: En trouwens, het is ook mijn zuster, de dochter van mijn vader [grootvader], echter niet die van mijn moeder en zij werd mijn vrouw. Het was ook algemeen aanvaard dat vader-dochter-relaties onder dit verbod vielen, zoals aangetoond door de schande van Lot nadat hij gemeenschap had gehad met zijn twee dochters (Genesis 19:29-39 en Rasji's uitleg van Genesis 20:1). Seksuele relaties tussen vrouwen zijn ook een gruwel voor God. Zij maken onderdeel uit van de praktijken uit Leviticus 18:3: Doet niet naar de manier van doen van het land Egypte waar jullie gewoond hebben en doet ook niet naar de manier van doen van het land Kena'an waarheen ik jullie breng. Treedt niet in hun praktijken! Deze ‘afschuwelijke praktijken’ (Leviticus 18:30) worden door de Midrasj (Sifra) nader gespecificeerd: Mannen trouwden met mannen, vrouwen trouwden met vrouwen en vrouwen trouwden met meerdere mannen.

  3. Verbod op diefstal

    Genesis 2:16: De Eeuwige God gebood de mens: ‘Van alle bomen van de tuin mag je gerust eten.’ Dit vers impliceert dat als God geen toestemming had gegeven, de bomen verboden zouden zijn geweest omdat zij niet zijn eigendom waren. Dit gold in het bijzonder voor de boom van kennis van goed en kwaad welke voor hem verboden was.

    (Merk op dat God geen toestemming gegeven had om dieren te eten. Alle mensen waren toen dus geboden om vegetariërs te zijn. Omdat God het eten van vlees na de zondvloed wel toestond, werd toen de zevende wet toegevoegd welke verbiedt om een stuk vlees te eten dat van een levend dier is genomen.)

  4. Gebod om wetten te maken en rechters aan te stellen

    Dit kun je leren van het verhaal van Sjechem, Dinah en de zonen van Jacob. In Genesis 34:2 staat: Sjechem, de zoon van Chamor, de Chiwwiet, de vorst van het land, zag haar, nam haar mee, ging bij haar liggen en verkrachtte haar. Omdat de mannen van Sjechems stad geen rechtszitting hielden om hem te veroordelen, overtraden zij dit gebod en werden daardoor collectief medeplichtig aan Sjechems misdrijf. Daarom vormden Jacobs zonen een gerecht, veroordeelden en executeerden hen.

  5. Verbod op het eten van vlees dat van een levend dier is genomen

    Genesis 9:4: Maar vlees met zijn leven, zijn bloed, mogen jullie niet eten.

Waar de twee overige wetten te vinden zijn, kun je hieronder lezen.

Maar merk eerst op dat het heropsommen en vastleggen van de zeven noachitische geboden door Mozes plaatsvond op de berg Sinai, twee dagen vóórdat God de tien woorden sprak in Exodus 20:1-14. In Exodus 24:3 staat: Toen Mosjee kwam en het volk alle geboden van de Eeuwige en alle rechtsvoorschriften vertelde, ... De woorden ‘alle rechtsvoorschriften’ verwijzen naar de zeven noachitische geboden en drie toegevoegde joodse wetten, welke de kinderen van Israël al geboden waren voordat ze arriveerden bij Sinaï. (Mozes had het totaal van tien geboden al aan de Israëlieten gegeven bij Marah, nadat zij door de zee waren gegaan, zie Exodus 15:25.) Het volgende vers zegt: Mosjee schreef alle woorden van de Eeuwige op. Deze woorden vormden het boek Genesis welke het noachitisch verbond en de noachitische geboden bevat, en op dat moment het boek Exodus. God droeg het Joodse volk dus op om de noachitische geboden te leren, om ze bekend te maken aan alle naties van de wereld in elke generatie en om te voorzien in noachitische rechtbanken in het land van Israël voor de niet-Joden die er wilden wonen.

In de orale Thora, doorgegeven door Joodse profeten en geleerden en vastgelegd in de Talmoed (Sanhedrien 56b), wordt uitgelegd hoe al deze zeven wetten gecodeerd aanwezig zijn in Genesis 2:16: De Eeuwige God gebood de mens, zeggende: ‘Van alle bomen van de tuin mag je gerust eten.’ In het Hebreeuws staat er: Vajetsav Hasjeem Elokiem al haädom lemor mikol ets hagan achol tochal. Een van de dertien specifieke regels van betrouwbare Thora-interpretatie maakt van oudsher gebruik van een analogie tussen twee wetten die gebaseerd is op identieke Hebreeuwse uitdrukkingen. De Talmoedisch geleerde rabbijn Jochanan legt als volgt uit hoe de zeven wetten gecodeerd zijn in Genesis 2:16:

  1. Het woord Elokiem is een van de heilige goddelijke Namen die ‘God’ betekenen. Maar het zelfde woord wordt ook gebruikt in de niet-heilige, meervoudige betekenis die verwijst naar fysieke of abstracte afgoden (andere ‘goden’), zoals in Exodus 20:3: Laten er geen andere goden voor je zijn naast Mij. Het gebod aan Adam impliceert dus dat alleen God aanbeden moet worden, geen afgoden. Hieruit volgt dat een niet-Jood verantwoordelijk gesteld kan worden voor het maken van een afgod, zelfs als hij hem niet aanbidt.

    (De Talmoedisch geleerde rabbijn Jitschak kwam met een alternatieve afleiding. Hij opperde dat het woord tsav (gebod) in dit vers verwijst naar het verbod op afgoderij. Het vers zou leren dat alleen de enige ware God de bron is van alle ware geboden en daarom zou alleen God gediend moeten worden. De verbinding met afgoderij wordt duidelijk in Hosea 5:11: Efraïm is verdrukt, hij is verpletterd met recht; want hij heeft zo gewild; hij heeft gewandeld naar het gebod [tsav, het gebod van afgodische priesters].

  2. De onuitgesproken goddelijke vier-letter-naam in dit vers (omgezet in uitgesproken vorm: Hasjeem), verwijst naar het verbod op godslastering zoals blijkt uit Leviticus 24:16: Wie de Naam van de Eeuwige [Hasjeem] lastert moet gedood worden, de hele gemeente moet hem stenigen; zowel de vreemdeling als de ingezetene moet, als hij de Naam lastert, gedood worden. (Bij de pijnloze methode van executie die vanuit het Hebreeuws vertaald wordt met ‘steniging’ werd de veroordeelde crimineel verdoofd met medicijnen en van een hoge plaats op een grote steen gegooid.)

  3. De woorden al haädom (tot de mens) verwijzen naar het verbod op moord, wat staat in Genesis 9:6.
  4. Het verbod op de zes verboden seksuele relaties (zie boven) wordt aangeduid door het woord lemor (zeggende) wat blijkt uit Jeremiah 3:1: Men zegt [lemor]: Zo een man zijn huisvrouw verlaat, en zij gaat van hem, en wordt eens anderen mans, zal hij ook tot haar nog wederkeren? Zou datzelve land niet grotelijks ontheiligd worden? Gij nu hebt met veel boeleerders gehoereerd, keer nochtans weder tot Mij, spreekt de Eeuwige.
  5. Het verbod op diefstal blijkt uit de algemene betekenis van het vers zoals hierboven uitgelegd.
  6. Het woord vajetsav (Hij gebood) verwijst naar de eis van rechtbanken wat blijkt uit een overeenkomstig gebruik van woorden in Genesis 18:19: Want Ik houd van hem, omdat hij zijn zonen en zijn huis na hem als voorschrift [vajetsav] achterlaat, de weg van de Eeuwige te houden door deugd en recht te beoefenen.

    De Talmoedisch geleerde rabbijn Jitschak kwam met een alternatieve afleiding. Hij opperde dat het gebod om wetten te maken en rechters aan te stellen, wordt aangeduid door het woord Elokiem (God) dat ook ‘rechters’ betekent. Dit blijkt ook uit Exodus 22:27. Hier wordt het woord gebruikt om zowel het vervloeken van God als het vervloeken van rechters te verbieden, zoals bijvoorbeeld uitgelegd door Maimonides in zijn Boek van de Geboden.)

  7. Het vers besluit met ‘mag je gerust eten’... van alle bomen van de tuin, niet van vlees dat van een levend dier is genomen.
bron: asknoah.org